Dit artikel is geschreven in samenwerking met Bettr Health Group
Mentale gezondheidsnetwerken moeten de druk op de geestelijke gezondheidszorg verlichten en wachttijden laten afnemen. Huisarts, ggz en het sociaal domein werken samen om hulpzoekenden te helpen met een gepaste oplossing. Soms is dat een ggz-traject, maar er zijn ook mensen die meer geholpen zijn bij passende zorg zoals schuldhulp. Die samenwerking verloopt nu vaak moeizaam omdat er onvoldoende digitale ondersteuning is voor alle betrokkenen. Dat signaleert Arjan Karens, oprichter van Bettr Health Group. “De richting is er, maar de route ernaartoe vraagt nog om verdere invulling.”
Passende zorg
De ggz loopt steeds verder vast, vat Karens samen. Huisartsen kunnen hun patiënten regelmatig niet meer doorverwijzen naar passende zorg, omdat er simpelweg geen plek is. “En dat heeft enorme gevolgen voor onze samenleving, voor onze economie. Maar vooral voor mensen met complexe mentale problemen die dringend hulp nodig hebben, maar nergens terecht kunnen. Dat is nogal wat.”
Door vroeg in het proces het gesprek aan te gaan met de cliënt, de ggz, de huisarts en het sociale domein, kan worden bekeken of de specialistische ggz wel de best passende oplossing is. Soms is bijvoorbeeld schuldhulp of een lokaal initiatief tegen eenzaamheid effectiever.
Zo gaan betrokken partijen onder andere een verkennend gesprek aan met de client. Dat klinkt als een grote inspanning, een gesprek met verschillende partijen van anderhalf uur, zegt Karens. “Maar als daardoor meer mensen tijdig passende ondersteuning vinden voordat zwaardere zorg nodig is, dan is dat winst.”
Zo komen mensen sneller op de juiste plek terecht en wordt specialistische ggz gerichter ingezet door domeinoverstijgend samen te werken. Met de juiste digitale ondersteuning weten de partijen elkaar ook beter te vinden. “Daarmee ontlasten we de poortwachters van de zorg: de huisartsen.”
Samenwerking mentale gezondheidsnetwerken stokt op ICT
Maar dan moet de samenwerking tussen de domeinen wel lopen. En dat blijkt nog een uitdaging.
Karens neemt als voorbeeld weer het verkennend gesprek. Alleen al het plannen van dat gesprek, waarvoor alle partijen de agenda naast elkaar moeten leggen, vormt vaak een obstakel. De systemen van verschillende partijen communiceren niet met elkaar, dus de agenda’s digitaal naast elkaar leggen kan niet. “Dan houden ze dus veelal in Excel bij wie wanneer beschikbaar is.” De landelijke ambitie is een groei naar 120.000 verkennende gesprekken per jaar, is te lezen op de site van VGZ. Dat zijn heel veel Excel-sheets.
En ook na het gesprek blijkt de communicatie technisch lastig te regelen. “Vastleggen, terugkoppelen, overleg, de financiële afwikkeling en nog veel meer”, noemt Karens op. Weer zijn er verschillende systemen die niet of nauwelijks op elkaar aansluiten.
Bettr Health keek mee in de praktijk om te zien hoe de organisaties daar nu omheen werken. Het beeld dat Karens en zijn collega’s kregen was soms schokkend, vertelt hij, letterlijk met zijn handen in het haar. “Zorgverleners werkten soms nog met Excel, Word, Outlook, een beveiligde mail, weer een nieuw Excel-bestand. We leven in 2026, we kunnen processen automatiseren. Het is ongelooflijk dat zorgverleners soms uren kwijt zijn met administratie. Ook als je daar ondersteuning voor inhuurt, is dat niet efficiënt en niet schaalbaar.”
Lees ook: Hoe mentale gezondheidsnetwerken de ggz en huisartsen ontlasten
Digitale ondersteuning als randvoorwaarde
Maar de digitale oplossingen om dat te stroomlijnen zijn nog onvoldoende uitgerold in de verschillende regio’s. Ook uit de Implementatiemonitor Mentale Gezondheidsnetwerken blijkt dat voor veel regio’s ICT een bottleneck is. Het overgrote deel van de netwerken (29 van de 37 respondenten) heeft geen passend systeem.
De zorgprofessionals hebben behoefte aan landelijke afspraken over informatie-uitwisseling, ICT-koppelingen en de aanvraag- en registratieomgeving, constateert het rapport.
Dat beeld herkent Karens. Al ziet hij het niet zitten om volledig af te wachten tot er landelijke standaarden komen. “Dat kan volgend jaar zo ver zijn, maar het kan ook zomaar nog een aantal jaar duren.” En die tijd heeft de ggz niet. “Elke week dat we wachten, wordt de druk op de ggz groter. Ontwikkelaars moeten in hun architectuur rekening houden met de aansluiting op landelijke standaarden.”
Volgens Karens moet software zo veel mogelijk aansluiten op de bestaande processen. Maar wel zonder een proces te digitaliseren. “Je moet ook durven veranderen en kijken wat écht werkt. We moeten geen Excel-lijst nabouwen.”
Jeugdzorg
Met Mindlinq biedt Bettr Health een platform dat de samenwerking binnen het Mentaal Gezondheidscentrum ondersteunt. Alle betrokken organisaties in het Mentale Gezondheidsnetwerk kunnen zo in hun eigen systeem werken én een gedeelde werkomgeving gebruiken.
Zo kunnen de zorgprofessionals en organisaties uit het sociaal domein op een centrale plek veilig informatie delen, casussen anoniem bespreken, declaraties invoeren en doorstroom- en wachtlijstgegevens inzien. Bovendien kunnen zorgprofessionals na doorverwijzing het verdere traject van een cliënt blijven volgen en krijgt de huisarts terugkoppeling in zin HIS.
Dat deed Mindlinq al eerder in de jeugdzorg, nu neemt Bettr Health die ervaring mee naar de ggz. “Er is veel overlap tussen de jeugdzorg en mentale gezondheidsnetwerken.”
Daar heeft Karens ook gezien wat de toegevoegde waarde is. Niet alleen voor de medewerkers die ermee moeten werken, maar ook voor de zorgvragers. “Het ging wel eens fout met al die Excel-bestanden. Dan belden ouders op om te vragen op welke positie hun kind op de wachtlijst stond, en bleek dat kind helemaal niet op de wachtlijst terecht te zijn gekomen. Dat heeft enorme consequenties.”
Lees ook: Hoe Mindlinq de jeugdzorg beter, sneller en betaalbaarder maakt
Investeer in flexibele technologie
De financiële middelen vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn er, nu moet het nog tot echte actie leiden, vindt Karens. En dat hoeft niet ingewikkeld te zijn. “Het lijkt wel alsof we denken dat complexe problemen ook een complexe oplossing moeten hebben. Maar soms zijn er complexe problemen die je eenvoudig kunt oplossen.”
En dat ziet hij nog onvoldoende gebeuren. “Er worden heel veel experts ingehuurd om te adviseren, maar dat is niet de oplossing. Als je de gebruikers vraagt wat ze nodig hebben, dan is dat inzicht, overzicht en een gebruiksvriendelijke ondersteuning van het proces. Zonder onnodig veel klikken, knippen en plakken.”
Volgens Karens moet er geïnvesteerd worden in technologie die flexibel genoeg is om mee te bewegen met hoe de gezondheidsnetwerken zich ontwikkelen. “De ene regio heeft goede ervaringen met de verkennende gesprekken. De andere gelooft meer in het domeinoverstijgend casusoverleg. De verschillende regio’s moeten dus ieder op hun eigen manier kunnen werken.”
Bijkomend voordeel samenwerken op een digitaal platform als Mindlinq, in plaats van in losse Word- en Excelbestanden, is dat de resultaten kunnen worden gemonitord. Wie is er naar de ggz verwezen, en wie niet? En dus ook: hoe effectief zijn de mentale gezondheidsnetwerken? Karens: “Zo kunnen de regio’s van elkaar leren en de kwaliteit samen opkrikken.”
Maar hoe goed dat lukt, hangt volgens hem sterk af van de keuzes die vandaag gemaakt worden over de digitale infrastructuur. “Alleen met doordachte keuzes, kunnen systemen de inzichten bieden die nodig zijn om de koers voor de toekomst te bepalen.”
Mentale gezondheidsnetwerken hebben de potentie om de druk op de ggz te verlichten door de instroom te beperken. Maar om dat waar te maken moeten ggz, huisarts en sociaal domein makkelijk, veilig en snel kunnen schakelen. Een toekomstbestendige en flexibele digitale samenwerking is daarbij van groot belang, geeft Karens mee. “Natuurlijk moet er een landelijke norm komen, maar tot die tijd ligt de bal bij de regio’s. Mijn oproep: maak een keuze voor digitale ondersteuning en begin en verbeter waar nodig. Er kan echt meer dan veel regio’s zich realiseren.”